Interview met Hans Bakker in kader première Canto 33 door Amer Consort

  • 14 april 2013, Kerk St. Fransiscus Xaverius te Amersfoort
  • 21 april 2013, Oude Kerk te Soest


Wat is de inspiratie geweest voor het componeren van Canto 33? Hoe is dit koorwerk tot stand gekomen?
Tijdens cd-opnames van mijn muziek in Tsjechië in 2010 [The Unnamed Source] ben ik geïnspireerd geraakt door de vakkundigheid en het enthousiasme van de musici daar. Daar is Canto 33 gaan broeien. CantDe De tekst van Canto 33 is afkomstig van het derde boek Paradiso van La Divina Commedia van Dante. Het is een ontboezeming van Dante, een loflied aan de maagd Maria. De tekst inspireert mij door het Godsaspect, dat is voor mij ook vrouwelijk. Het krijgt in de persoon van Maria een menselijk gezicht. Ik had het stuk eigenlijk af willen hebben voor een componistenconcours in Italië, maar dat redde ik niet. Dit concours is wel de aanleiding geweest om te beginnen met het componeren van Canto 33.

Het stuk is uitgevoerd door een Tsjechisch koor, wij zingen het straks als eerste Nederlandse koor. Hoe was het voor u om het stuk door een koor uitgevoerd te horen worden?
Indrukwekkend, ontroerend om het voor het eerst te horen. Ik voelde ook dankbaarheid en trots, je weet dat het een heel mooi stuk is. Ik vind het knap van koren dat ze het kunnen zingen. Maar mijn muziek is lineair, logisch zingbaar, polyfoon. Ik heb altijd de menselijke stem in mijn hoofd.

Welke componisten zijn uw voorbeeld?
Bach is een grote inspiratiebron voor mij. Leoš Janáček en Stravinsky zijn dat ook. Ik heb een pianostuk geschreven waarin Bach, Stravinsky en ikzelf zijn te herkennen. Dit stuk wordt in augustus uitgevoerd in Groningen. Ik ben fan van de Russische componist Scriabin. Ook de Poolse componisten Szynonowski en de nog levende Penderecki inspireren mij. Andere voorbeeldcomponisten zijn de inmiddels overleden Nederlandse componist Tristan Keuris, Frank Martin en Benjamin Britten.

Hoe typeert u de klassieke muziek van nu en in hoeverre past uw muziek daarin?
Mijn muziek plaats je in eerste instantie eerder in de tijd, eerder in de eerste helft van de vorige eeuw dan in de tweede helft. Maar er zitten ook nieuwe, nog niet eerder gehoorde elementen in mijn muziek. Door mijn eigen herkenbare stilistiek is mijn muziek wel degelijk eigentijds. Het is in bepaalde harmonieën te horen. Zo begint één van mijn andere koorwerken Gott met dezelfde harmonie als Canto 33. Na één of twee maten zijn beide stukken hele andere richtingen op gegaan, maar dat ze hetzelfde beginnen geeft ze een soort innerlijke verbondenheid. Ik hou van de enigmatische toonladder van Verdi, die heb ik in meerdere stukken verwerkt. Canto 33 en Gott hebben deze harmonische beginkleur. Ik doe dit intuïtief, zonder regels. Dan komt het vervolg vanzelf.

Muziek hoeft niet gemakkelijk te zijn, maar moet wel toegankelijk zijn voor het gemoed. Muziek moet niet 'cerebraal' zijn, dat betekent het einde van de moderne klassieke muziek. Dan blijft er slechts een handjevol fanaten over die het mooi vinden. Muziek moet raken. Bij koormuziek is dat makkelijker door de intimiteit van de menselijke stem. Spannend zijn is niet genoeg, het moet iets met je doen. Mijn muziek laat zich omschrijven als expressief, gedetailleerd en toegankelijk zonder dat expliciet na te streven.


Overige werken
Ik heb de Prašasti cyclus bijna voltooid. Gott vormt daar onderdeel van. Ook werk ik aan een nieuw strijkkwartet en een Kyrië. Te zijner tijd wil ik nog een Gloria componeren voor koor en orkest. De muziek van John Tavener (O, do not move) die ik tijdens jullie vorige concert hoorde heeft mij geïnspireerd voor dat Kyrië. Soortgelijke klanken wil ik daarin verwerken. Ik kende de muziek van John Tavener wel, maar als je het uitgevoerd hoort worden door een goed koor dan geeft dat directe inspiratie. 30 april komt een nieuwe cd met orkestmuziek uit. Er worden steeds meer van mijn werken in het land uitgevoerd.